Ik werk in San Francisco, waar veel mensen zonder huis op straat leven. Velen van hen worstelen met drugsverslaving, geestelijke gezondheidsproblemen en armoede, en sommigen van hen verkeren in zoveel fysieke nood dat het moeilijk voor me is om mijn ogen niet af te wenden en weg te kijken. Maar als ik langs individuen loop - sommigen liggen letterlijk half bewusteloos op straat - voel ik schaamte - voor mezelf, die de neiging heeft om weg te kijken, en voor onze samenleving, die toestaat dat dit lijden voortduurt in een van de rijkste steden ter wereld.
Ik hoorde een voorvechter van daklozen ooit zeggen dat de meest medelevende actie die we kunnen ondernemen naar daklozen toe is om oogcontact te maken, te glimlachen en een paar woorden van verbondenheid te zeggen. Dit is wat ik consequent probeer te doen. En meestal krijg ik er warmte en waardering voor terug. Het is een heel kleine daad, maar niet altijd gemakkelijk. Want als ik iemand zie lijden, wil ik afstand nemen en denk ik ‘godzijdank, dit ben ik niet’. Maar die kleine menselijke interactie herinnert me eraan dat we allemaal een gemeenschappelijke menselijkheid delen, ongeacht onze specifieke omstandigheden. En ik geloof dat de mensheid in de kern een goede en mooie entiteit is die gevoed, gesteund en geliefd moet worden.